Werken om te leven of leven om te werken?

Werken om te leven of leven om te werken?   Amerikanen zijn noeste werkers. Tijd voor vertier hebben ze nauwelijks. Volksfeesten zoals wij die kennen heb ik in éen jaar Houston en twee jaar San Diego nooit meegemaakt. Oud en nieuw bijvoorbeeld stelt weini

Amerikanen zijn noeste werkers. Tijd voor vertier hebben ze nauwelijks. Volksfeesten zoals wij die kennen heb ik in éen jaar Houston en twee jaar San Diego nooit meegemaakt. Oud en nieuw bijvoorbeeld stelt weinig voor. Er wordt een lullig beetje vuurwerk afgestoken en om kwart over twaalf is iedereen weer op weg naar huis of ligt al op éen oor, morgen weer een (werk)dag. De vierde juli is een nationale feestdag waarop de Amerikaanse onafhankelijkheid wordt gevierd, vergelijkbaar met onze koninginnedag - met het verschil dat wij onze aánhankelijkheid vieren. The Fourth of July is niet het vrolijke Pieter Bruegel-achtige collectieve delirium van dertig april, maar een wat gezapig familiefeest waarbij gezinnen uitrukken in tankachtige SUVs om met barbecues in een recreatiegebied neer te strijken voor een fijne schranspartij. Zodra het donker is, wordt het vuurwerk afgestoken. Als het laatste vuurwerk aan de nachtelijke hemel is uitgedoofd, loopt binnen no time de snelweg dicht. Er wordt niet genachtbraakt, er heerst geen algehele vreugdevolle wanorde. Men gaat naar huis, morgen weer een werkdag.

Amerika is het enige land met een geavanceerde economie zónder een verplicht minimum aantal betaalde vakantiedagen voor zijn werknemers. De gemiddelde Amerikaan mag zich al in de handen knijpen met een schamele twaalf dagen tegenover de riante zevenendertig betaalde vakantiedagen waarop bijvoorbeeld de Franse burger kan rekenen.

Hard werken, weinig tijd en veel consumeren. Naast de noodzakelijke, alledaagse boodschappen wordt in de V.S. veel aangeschaft in het kader van ‘positional consumption’: zorgen dat je hebt wat de buren hebben, wat bij je status en positie hoort, zodat je niet achterop raakt, niet de sukkel bent. Keeping up with the Joneses. En in de mate waarin ‘status anxiety’ en competitie de drijfveer zijn, wordt er aan puur plezier ingeboet.

Het verklaart misschien ook waarom de Amerikaanse cultuur een ietwat schrale ondertoon heeft. Die is niet louter toe te schrijven aan haar relatief jonge geschiedenis. Er ontbreekt iets, iets wat je praktisch overspoelt wanneer je bijvoorbeeld in de Franse hoofdstad komt. In Parijs – ik heb het over historisch Parijs, niet de buitenwijken -  staat plezier in hoog aanzien. Joie de vivre, de Fransen hebben er vanzelfsprekend een term voor. Je ziet het joie de vivre aan alles af. Aan het pico bello voorkomen en de verfijnde smaak, het belang dat wordt gehecht aan iets ongrijpbaars als charme, de kokette, flirterige taal zelf, waarvan de klanken in de mond worden gemodelleerd alsof men geen woorden maar zilveren bedeltjes uitspuugt, en niet te vergeten aan het uitgebreide tafelen en de lange, eerbiedwaardige tradities van parfumerie, wijn en chocola.

Noch in Houston noch in San Diego vind je drukbelopen, royale troittoirs afgewisseld met passages, pleinen en parkjes zoals in Parijs. Gezellige binnensteedse voetgangersgebieden en kleine buurtwinkels vind je er evenmin. In plaats daarvan is het malls, malls en nog eens malls. Niet het parkje maar de parkeerplaats markeert de razende hartslag van de stad. De mall is er om te shoppen, niet om mensen te ontmoeten, te slenteren of van het weer te genieten. De flaneur, de tiptop verzorgde bon vivant die wandelt voor de verstrooiing, voor het plezier van kijken en bekeken worden, is een onbekend verschijnsel. In de mall ligt de verleiding achter glas met een prijskaartje eraan, waar op de Parijse wandelwegen vooral de stad zelf de verleidster is, gratis en voor niks: de zinderende elegantie van haar bewoners (geen zichzelf respecterende Parijzenaar die je in zijn sportbroek en t-shirt ziet rondlopen, al vallen de mussen dood van het dak), haar gracieuze, monumentale architectuur, de ronkende zwaarte van haar geschiedenis, haar sobere, natuurlijke kleurenpalet. De bouw in een stad als Houston is bovenal functioneel. Het business center downtown is weliswaar flitsend en imposant (mijne is groter dan de jouwe), maar gewaagde, speelse of simpelweg beeldschone gebouwen zijn een zeldzaamheid. De stad is niet gebouwd om te behagen, te amuseren of te inspireren, maar om effectief van A naar B te reizen, om zoveel mogelijk cubicles in een kantoortuin en zoveel mogelijk auto’s in een parkeergarage  te proppen. Het is de doelmatige stad tegenover de zinnelijke stad.

Niet dat Parijs het paradijs – het scheelt slechts twee letters – op aarde is. De lichtstad kan grimmig en morsig, afstandelijk en harteloos zijn. Maar zoals H.R. Stoneback schrijft in een tijdens éen doorwaakte nacht geschreven serenade aan de lichtstad (Hemingway’s Paris: Our Paris?): “Paris, where an ancient true joy was liberated every day.” De Amerikaanse cultuur mag aan de oppervlakte een hedonistisch walhalla lijken, het drijft op een protestants arbeidsethos en keihard individualisme, dat collectieve maatregelen voor bijvoorbeeld meer verplichte vakantiedagen ziet als een bedreiging van haar kernwaarde: freedom. En dat is dan evengoed de vrijheid om in de berm van een snelweg te eindigen met een stuk bordkarton (‘Jobless, Please Help Feed 2 Kids’), als de vrijheid om als celebrity over de ruggen van miljoenen straatarme landgenoten miljarden te verdienen. In de Verenigde Staten wordt geen plezier ontketent, maar strijd. It’s a rat race.

Tekst: Semira Dallali
col_ SemiraD

Beeld 1: Anne Tjin
Beeld 2: Jeroen Vink