Nederlandse vrouwen in de wetenschap

Nederlandse vrouwen in de wetenschap 1

Het duurde tot 1871 voordat in Nederland de eerste vrouw in de persoon van Aletta Jacobs werd toegelaten tot de universiteit. Nu, meer dan 140 jaar later, is het aantal vrouwelijke professoren aan de Nederlandse universiteiten nog steeds gering als je dat vergelijkt met het aantal vrouwen met een doctorstitel. Het aantal vrouwen met een bestuursfunctie aan de universiteit is zelfs te verwaarlozen, zegt Agnes Andeweg van het Centrum voor Gender en Diversiteit aan de Universiteit van Maastricht.


Hoeveel vrouwelijke hoogleraren zijn er precies in Nederland en in welke vakgebieden?


Cijfers over het aantal vrouwen dat aan universiteiten werkt worden elk jaar verzameld door de VSNU, de vereniging van Nederlandse universiteiten (www.vsnu.nl). Daarnaast brengt de Vereniging van Vrouwelijke Hoogleraren om de drie jaar een monitor uit waarin ze de cijfers dieper analyseert.
Uit de VSNU cijfers blijkt dat eind 2009 12,4% van de Nederlandse hoogleraren vrouw was. Dat is bijna 3% meer dan in 2004. Op alle functieniveaus is het aantal vrouwen de afgelopen jaren gestegen, maar bij iedere carrièrestap vallen er vrouwen af. Zo is bijna de helft van alle promovendi vrouw 43,6%, maar bij het hoogste treetje van professor zijn het er dus nog maar 12,4%.
Voor de cijfers per vakgebied biedt de Monitor meer informatie (cijfers t/m 2008). Nederland kent van oudsher grote verschillen per vakgebied. De meeste vrouwelijke hoogleraren werken in de sociale wetenschappen (Gedrag en Maatschappij) en bij Rechten. Bij Techniek is het aantal vrouwelijke hoogleraren het kleinst, al groeide het aantal daar het hardst. Daar zijn ook meer vrouwen werkzaam als wetenschapper dan er vrouwelijke studenten zijn.
Wat opvallend is, is dat vrouwen die hoogleraar zijn minder vaak in deeltijd werken dan mannen op datzelfde niveau. In andere functies werken vrouwen wel (iets) vaker in deeltijd, maar veel scheelt het niet. Het idee dat vrouwen geen hoogleraar willen worden omdat ze zo graag in deeltijd willen werken lijkt daarmee tegengesproken.
De EU-lidstaten hadden afgesproken dat in 2010 25% van het aantal hoogleraren vrouw moest zijn. Onze minister van Onderwijs stelde dat streven eigenhandig bij naar 15% vrouwelijke hoogleraren in 2010. Maar ook dat percentage lijkt niet te worden gehaald.

Hoe komt het dat de groei op dit niveau zo langzaam gaat?

Er zit groei in! Dat is een positief gegeven. Maar het gaat heel langzaam, elk jaar minder dan een procent erbij. Voor een deel heeft dat te maken met natuurlijk verloop en er komt per jaar maar een beperkt aantal hoogleraarfuncties beschikbaar. Daarnaast moet je ook op de niveaus onder de hoogleraar voldoende vrouwen hebben. Uit de Monitor blijkt dat het probleem (ook wel bekend als ‘het glazen plafond’) zich al eerder in de carrière van vrouwen voordoet. Bij de stap van UD (universitair docent) naar UHD (universitair hoofddocent) blijken relatief veel vrouwen af te vallen. Voor mannen is die stap van UD naar UHD veel makkelijker, zij zitten in een ‘glazen lift’. Om iets te veranderen moet je dus op verschillende niveaus iets doen.

Nederland loopt achter als je een vergelijking trekt met bijvoorbeeld het aantal vrouwelijke hoogleraren in andere Europese landen. Wat is hier de oorzaak van?

Inderdaad is het een treurig beeld: Nederland bungelt al jaren onderaan het lijstje, met Malta, Cyprus België en Luxemburg. Duitsland stond in 2002 nog onder Nederland, maar heeft ons inmiddels ingehaald.
Hoewel er niet echt onderzoek naar de oorzaken van deze achterstand gedaan is, wordt een aantal verklaringen steeds genoemd. Een daarvan is dat in Nederland het kostwinner-huisvrouwmodel erg lang dominant geweest is. De breed gedeelde overtuiging was dat de man verantwoordelijk was voor het gezinsinkomen en dat het een pre was als hij daar in zijn eentje voor kon zorgen (‘mijn vrouw hoeft niet te werken’). Die ideologie was deels ook in wetten verankerd, zo werden onderwijzeressen ontslagen als ze trouwden; dit werd pas in 1976 afgeschaft.
Vrouwen zijn pas relatief kort geleden aan hun inhaalslag op de arbeidsmarkt begonnen, en dus is ook hun opmars in de wetenschap pas recent op gang gekomen.
Daar komt nog een ander aspect bij, hoewel dat minder specifiek is voor Nederland. Beeldvorming van wetenschap en wetenschappers is lange tijd sterk gegenderd, en deels nog steeds. Met die term doelen we erop dat er stereotiepe manvrouwbeelden bestaan over wetenschap. Denk bijvoorbeeld aan de recente ophef over een reclamecampagne van de Radboud Universiteit Nijmegen, waarin een mannelijke onderzoeker een vrouw betast. Zo’n clipje bevestigt een stereotiep beeld dat mannen wetenschappers zijn, en vrouwen hooguit object van onderzoek.
Mineke Bosch, hoogleraar Geschiedenis in Groningen heeft veel (historisch) onderzoek gedaan op dit terrein. Zij stelt dat er bepaalde verhalen en plots meewerken aan het vestigen van wetenschappelijke autoriteit. De wetenschapper wordt nog vaak als een geniale eenling geportretteerd. Het hebben van een sociaal leven, laat staan van kinderen past niet in dat heroïsche verhaal, en dat werkt het beeld van de wetenschapper als man in de hand. Lies Wesseling van de Universiteit Maastricht schreef het boek Geleerde Moeders om die stereotiepe beeldvorming dat wetenschap en moederschap niet samengaan te doorbreken.
Een voorbeeld is ook de manier waarop vrouwelijke wetenschappers worden herinnerd, bijvoorbeeld in het verschil tussen de beeldvorming van Pierre en Marie Curie (die beiden de Nobelprijs wonnen): hij wordt voorgesteld als briljant, zij als ijverig. Dat doet de beeldvorming van vrouwelijke wetenschappers geen goed.

Waarom is het belangrijk dat er meer vrouwen in de wetenschap komen?


Het is belangrijk voor vrouwen dat zij hun talenten kunnen ontplooien, en niet gehinderd worden door barrières. Bovendien is het belangrijk voor de wetenschap, omdat die gebaat is bij al het talent dat er is.

Welke acties zouden er ondernomen moeten worden om meer jonge vrouwen te interesseren voor de wetenschap?


Jonge vrouwen zijn geïnteresseerd in wetenschap: dat blijkt uit het feit dat van de promovendi bijna de helft vrouw is. Dat is dus niet het probleem. Het gaat erom dat vrouwen die een carrière in de wetenschap ambiëren niet afhaken.
Dat kan op allerlei manieren worden bewerkstelligd, en inmiddels is daar al heel wat ervaring mee opgedaan. Van 2005-2007 heeft het Centrum voor Gender en Diversiteit van de Universiteit Maastricht een project Participatie als Prioriteit uitgevoerd. Zij hebben onderzocht op welke manieren vrouwen behouden kunnen worden voor de wetenschap. Die ‘good practices’ zijn terug te vinden op de website  vrouwenwetenschap.nl. Zo is er aan diverse universiteiten specifiek beleid ontwikkeld, met leerstoelen voor vrouwen, of zogeheten tenure tracks. Ook zijn er netwerken opgericht waar vrouwelijke wetenschappers elkaar kunnen ontmoeten. Ook vrouwelijke mentors of coaches helpen. Het helpt ook als er regelmatig cijfers gepubliceerd worden, zodat duidelijk is dat het niet ‘vanzelf wel goed komt’.
Het kan in kleine dingen zitten. Bij beoordelingen van onderzoeksaanvragen is de lijst van publicaties bij voorbeeld heel belangrijk. Maar iemand die in deeltijd heeft gewerkt, of door zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof een aantal maanden of een jaar uit de running is geweest, heeft minder kunnen publiceren dan iemand die fulltime heeft gewerkt. Je mag hun publicatielijstjes dus niet zomaar vergelijken. Sinds een paar jaar hanteert NWO, de organisatie die Nederlands onderzoeksgeld verdeelt daarom een wegingsfactor, waarbij ook de feitelijke onderzoekstijd wordt meegewogen. Heel goed! Nu zouden wetenschappers dat standaard in hun CV moeten verwerken, zodat potentiële werkgevers (en niet alleen NWO) ook op die manier leren werken.
De Monitor wijst er ook op dat de komende vijf jaar een grote groep - maar liefst 625 - hoogleraren met pensioen gaat. Van deze baby boomers is 95% man. Inmiddels zijn er op het niveau van UHD (universitair hoofddocent) veel vrouwen werkzaam. Nu liggen er dus kansen om vrouwen te laten doorstromen naar het niveau van hoogleraar. Wie weet komen we dan toch nog bij dat streefcijfer van 15% in de buurt.
Nederlandse vrouwen in de wetenschap 2


Tekst: Agnes Andeweg
Beeld 1: Foto van hoogleraar Liesbet van Zoonen
met collega’s
Beeld 2: Foto van Dr. Agnes Andeweg