Mooi maken

Beeld1ColumnSemira

Pete Burns werd in de jaren tachtig bekend als de androgyne, sexy uitgedoste leadzanger van de new wave band Dead or Alive, die een internationale hit scoorde met You Spin Me Round. De band heeft geen onvergetelijk oeuvre voortgebracht en is de facto al jaren ter ziele. Burns zelf is dat allerminst, maar zijn roem – alleen nog in Engeland – berust nu louter op zijn inmiddels volop naar het feminiene doorgeschoten uiterlijk, te bizar om nog sexy te zijn. Al in de jaren tachtig onderging hij de eerste plastisch chirurgische ingreep, aan zijn neus, en zoals dat wel vaker gaat, was een verslaving geboren. Vandaag de dag oogt hij als een derderangs imitatie van een post-chirurgische Cher. Het verhaal van zijn monsterlijk opgedikte lippen die dreigden te exploderen van het pus - twee volle koppen spoten eruit, toen de dokter ze letterlijk lek prikte – is breed uitgemeten in de Britse pers. Een lipamputatie kon ternauwernood worden voorkomen. Maar Pete Burns gaat vrolijk door, en kennelijk zijn er voldoende plastisch chirurgen die meegaan in de gekte.

In een interview met The Daily Mail vergeleek hij de constante verbouwingen aan zijn gelaat met de periodieke opknapbeurt van het interieur. Het is, zei hij, als het aanschaffen van een nieuwe sofa. Werkelijk? Het idee van het lichaam als tempel is kennelijk passé. Een  gebruiksvoorwerp, een wegwerpartikel: kan het cynischer? Of hedonistischer?

Ik moest eraan denken toen ik in september aan de kunstacademie begon met tekenen naar naaktmodel. Ik weet niet hoe het andere mensen vergaat, maar intens naar de details van een vreemde, ongeklede persoon staren was wel even wennen. Een van de eerste modellen was G. G is een klassieke Southern Belle en het evenbeeld van de eerder dit jaar overleden Amerikaanse actrice Dixie Carter, bekend uit de tv-serie Designing Women, maar dan zonder de opsmuk en de glamour.

G. is dus een beauty, maar aan haar gerimpelde, wat fletse huid en de hormoonpleister op haar buik maakte ik op dat ze toch zeker haverwege de vijftig is. Zonder schroom of aanstellerij neemt G. de meest onflatteuze houdingen aan, wat soms tot enige consternatie leidt. Zo hoorde ik de studente naast me – die vanwege haar gewicht zit en zich dus op laten we zeggen strategische ooghoogte bevindt – uitslaken: “Oh! My! God!”

Het eerste wat opvalt aan een onbekend, bloot lijf is de manier waarop het afwijkt van de norm. Het non-stop media-bombardement met fotoshopgekalefaterde en plastisch chirurgisch gepimpte, net aan de puberteit ontsproten jonge vrouwen toont een tamelijk uniform ideaalbeeld. Wat van G. dan meteen in de het oog loopt, los van de gevorderde leeftijd, zijn de verflenste borstjes, de welig tierende bos schaamhaar, het lichtjes afhangende achterwerk, de zachte welvingen van damesvet op de dijen.

De tijd heelt alle wonden, zegt men. Misschien kan de tijd ons ook genezen van benepen ideeën over schoonheid. Want drie uur lang geconcentreerd met een staafje houtskool of conté op het papier een pose aftasten en het volume en de contouren van het naakt weergeven doet wat met je perceptie. Er vindt een verschuiving plaats. Uit de schaduw van dat op het netvlies gebrande ideaalbeeld treedt langzaam maar zeker een lichaam van vlees en bloed naar voren. Het lichaam van een persoon, die daar even kwetsbaar als autonoom op het podium staat. Het begint te dagen dat dit lichaam zijn eigen wetmatigheden, zijn eigen verhoudingen, zijn eigen logica kent. De fiere lijn van de schouders, de langgerekte hals, de krankzinnig smalle taille, de hoge wreef van de voet, het kuiltje naast het heupbeen, de onverwacht krachtige biceps, de licht verzonken oogkas die de blik iets melancholisch geeft, de schaduw die de smalgesneden onderlip op de kin werpt. Doe me af als een romanticus, maar dat stugge, hoogst persoonlijke is ontroerend mooi. De meeste andere modellen, mannen en vrouwen, zijn volgens de norm een stuk minder mooi dan G. maar er is er niet éen van wie de schoonheid zich niet uiteindelijk openbaart.

De Franse taal kent de term ‘jolie-laide’: mooi-lelijk. De Van Dale geeft deze definitie: “meisje dat of vrouw die betrekkelijk lelijk is, maar van een aantrekkelijke onregelmatigheid.” Wat afwijkend is, wordt juist bekoorlijk gevonden. Het is een benadering waarbij geen genoegen wordt genomen met de luie waardering van al te makkelijke vormen. Het is de ontwikkelde smaak die geprikkeld wordt door de dissonant. In Japan bestaat er zelfs een formele esthetiek, wabi-sabi, die bij uitstek het asymmetrische, onvolmaakte en verweerde herkent en koestert als waardevol en mooi.

Maar modeltekenen is geen universeel medicijn tegen de zucht naar gladde perfectie of onberispelijke elegantie. Een medestudente, al dan niet toevallig een Française, klaagde na de les dat de kwaliteit van haar werk te lijden had onder de lelijkheid van sommige modellen. “Ik haat ze,”  riep ze uit, “Ik haat alles aan ze: hun doffe huid, hun lompe houding, hun stompzinnige gezichtsuitdrukking.” Misschien is een cursus fotoshoppen een idee. Geven ze ook op de academie.

Tekst: Semira Dallali
semiradallali

Beeld 1: Anne Tjin
Beeld 2: Jeroen Vink