Kunstenaar(s) in wording

BoekenJust-kidsFB

Just Kids
Patti Smith
304 blz.
Ecco
978006621131 2
Bloomsburry Publishing
9780747548409



Patti Smith (1946) behoeft nauwelijks introductie. De frontvrouw van de Patti Smith Group die in 1975 het verbluffende album Horses uitbracht, is een duurzaam popicoon gebleken, opgenomen in ‘the Rock and Roll Hall of Fame’(2007). Horses, waarvan de zwart-wit hoesfoto met een androgyne Smith erop werd gemaakt door Robert Mapplethorpe, opent met de onvergetelijke beginregel Jesus died for somebody’s sins but not mine. De plaat scoort nog altijd hoog in de lijstjes met de belangrijkste albums uit de popgeschiedenis.

Smith heeft meer noten op haar zang: zo was er bijvoorbeeld in 2004 in Boymans Van Beuningen te Rotterdam een grote tentoonstelling van haar tekeningen, getiteld Strange Messenger. En voordat Horses uitkwam, publiceerde ze een aantal dichtbundels.

Just Kids zijn de recent verschenen memoires van haar intieme vriendschap met fotograaf-kunstenaar Robert Michael Mapplethorpe. Tijdens de Summer of Love (1967) ontmoetten Smith en Mapplethorpe elkaar bij toeval in New York. Smith was vanuit het voorstadje van Philadelphia waar ze opgroeide naar the Big Apple getogen, slechts twintig dollar op zak, en met dezelfde droom en gretige branie waarmee Madonna, afkomstig uit eenzelfde soort suffe suburb, twintig jaar later (met vijfendertig dollar) op Time Square uit een taxi stapte. If I can make it there, I’ll make it anywhere. Als tiener al droomde Patti Smith ervan een muze-minnaar-mentor verbond te smeden zoals Frida Kahlo dat met Diego Rivera had gedaan en Mapplethorpe – een intens, enigmatisch, sensueel type - bleek de ideale partij. Beiden brandden van ambitie en verlangen zich te voegen in een rij van illustere voorgangers: Smith spiegelde zich aan Rimbaud en Baudelaire, Mapplethorpe aan Michelangelo en Warhol.

De vroegste herinnering die Smith aanhaalt aan het begin van Just Kids, is het moment waarop zij werd aangeraakt door de muze, klassiek poëtisch in de gestalte van een witte zwaan. Het is het ontwaken van de artistieke impuls, de drang om te scheppen, en in het geval van Smith de drang om het resultaat te delen met een publiek. Een drang die ik geneigd ben óók in verband te brengen met haar opvoeding door Jehova’s getuigen, een feit dat Smith in Just Kids opvallend genoeg verzwijgt. Dat het geloof een voorname rol speelt in haar vorming is echter evident: haar eerste dichtsels ontstaan wanneer de voorgekauwde kindergebedjes haar de neus uitkomen en zij met toestemming van haar moeder haar eigen gebeden gaat bedenken. 

Behalve als een ode aan de vriendschap met de voortijdig overleden Mapplethorpe – die als kunstenaar in een kort leven grote hoogten wist te bereiken – valt Just Kids te beschouwen als een autobiografische bildungsroman. De eenvoudige komaf (hoewel pa Plato voorleest aan tafel), de ontworsteling aan een benepen milieu (hoewel ma ‘de grootste fan van rock ’n roll’ is), de armoe, de trek naar de grote stad, de tegenslagen, de onstuitbare gedrevenheid die de ware kunstenaar kenmerkt, het zit er allemaal in. Mapplethorpe en Smith begrepen al vroeg hoe belangrijk het is om je op te houden temidden van de artistieke crème de la crème en in het New York van de vroege jaren zeventig kliekte die samen in het legendarische Chelsea hotel, waar het duo na enige tijd een kamertje wist te bemachtigen. De innige liefdesrelatie ging over in een platonische vriendschap toen Mapplethorpe zich bekende tot de Griekse beginselen. Hij bleef niettemin zoals Smith het noemt ‘the artist of my life’.

Misschien deels als gevolg van de idealiserende blik waarmee Smith naar Mapplethorpe kijkt, die daardoor tamelijk schimmig blijft, is het noch de vriendschap noch de figuur van Mapplethorpe die het meest boeit, maar Smith’s eigen ontwikkeling. Ofschoon Just Kids strikt genomen geen autobiografie is en we hier in sneltreinvaart langs de hoogtepunten uit haar jonge leven worden gevoerd, aangedikt met verwijzingen naar grote kunstenaars en kunstwerken, blijft het fascinerend te zien hoe Patti Smith in haar vroege jeugd al de eigenschappen in stelling bracht die bepalend zouden zijn voor haar latere loopbaan. Zo eist Smith als klein kind reeds de rol van ‘generaal’ op en speelt met een legertje buurtkinderen de Ierse oorlogen na. Niet alleen wordt ze twintig jaar later de aanvoerder van een toonaangevende band, ook beschouwt zij de microfoon en de gitaar nadrukkelijk als het wapentuig van haar generatie.

Als auteur is Smith misschien meer van de korte baan: poëzie en poplyrics verdragen haar soms wat hanige en bombastische stijl beter. Smith analyseert en interpreteert niet. Dat levert vaak wel een aangename directheid op, maar leent zich minder voor memoires, die meestal meer reflecterend van aard zijn. Ook grijpt ze iets te vaak naar de verwijzing (‘I was full of references,’ zegt ze ergens) om een sfeerbeeld neer te zetten of een emotionele lading over te brengen. Over een ongewenste zwangerschap op twintigjarige leeftijd schrijft zij bijvoorbeeld: “My baby was born on the anniversary of the bombing of the Guernica.” Ze geeft haar pasgeboren kind overigens op voor adoptie, een ‘zonde’ die haar niet zozeer bezwaart alswel nóg doelgerichter maakt: zich per se te bewijzen als kunstenaar.

Smith las onlangs voor uit Just Kids in Houston in een van de campustheaters, dat gestaag volliep met drie generaties liefhebbers. Op het podium bleek Smith onverminderd slagvaardig, overtuigend en charismatisch. Inderdaad, als een excentrieke generaal. Oorlogvoeren deed ze niet, aanvoeren des te meer, zodat na een uur fragmenten uit het boek, anekdotes, nummers op gitaar en een vragenrondje (‘wat vind u van de covers van uw songs?’), Smith het publiek moeiteloos meekreeg met de door haar a capella ingezette uitsmijter, Because the Night (1978), de enige grote hit die ze ooit scoorde. Een fors meisje van een jaar of acht ging vlak achter ons onder het goedkeurend oog van haar bedaagde punkmoeder volledig uit haar dak.

Tekst: Semira Dallali