Italië ontmoet Britten

Muziek Britten

BRITTEN: War Requiem.
Anna Netrebko, Ian Bostridge, Thomas Hampson. Koor en Orkest Accademia di Santa Cecilia, Rome; Antonio Pappano. Warner 6 15488 2 6.

Het War Requiem van Benjamin Britten is een van zijn meest geliefde composities. Het werk sloeg als een bom in bij zijn première in 1962 en het jaar daarop ging de eerste platenopname de geschiedenis in als een van de best verkochte klassieke grammofoonplaten aller tijden. Ik moet toegeven dat ik in de minderheid ben wat mijn waardering betreft voor dit stuk dat mij nooit zo erg heeft kunnen bekoren. Natuurlijk is het onderliggende principe een zeldzame vondst: een combinatie van de tekst van de katholieke mis voor de doden met de anti-oorlogse gedichten van de Engelse dichter Wilfred Owen. De scheiding tussen deze twee elementen wordt nog verder ruimtelijk uitgelicht doordat de twee mannelijk solisten de teksten van Owen zingen met begeleiding van een twaalfkoppig kamerorkest en doordat de enorme massa van groot orkest en koor (jongenskoor en sopraan solist) de misteksten zingt. Tot zover geen vuiltje aan de lucht. Maar die twee zeer verschillende elementen hebben elk hun eigen problemen. De Latijnse delen komen of te houterig of te sentimenteel over, zoals in de finale. Ze kunnen moeilijk de vergelijking doorstaan met het Requiem van Verdi dat zo overduidelijk als inspiratie voor Britten heeft gediend. Dan zijn er de gedichten van Owen. Ze worden ongetwijfeld zeer intens beleefd. Maar ze worden enigszins langdradig en lijken niet erg geschikt voor muzikale behandeling. De muziek voor deze passages heeft doorgaans een haastig karakter en zijn afhankelijk van het herhalen van kleine melodische cellen met weinig ruimte voor lyriek. Het laatste gedicht Strange Meeting is weliswaar essentieel voor de opbouw van het stuk (twee dode soldaten ontmoeten elkaar in het hiernamaals, waarbij de één gedood is door de ander), maar is dusdanig lang dat de twee solisten bijna tien minuten nodig hebben voor de tekst. Het geloof in het pacifisme dat ten grondslag van dit grootschalig werk ligt (Britten heeft in de rest van zijn carrière geen werk geschreven dat in de buurt van deze afmetingen komt) is ongetwijfeld zeer eerlijk en oprecht. Toch lijdt het totale effect onder de last van zulke extra-muzikale bedoelingen.
Wat dit oordeel betreft hoor ik tot een minderheid, want het stuk wordt meestal alom bewonderd en is vaker opgenomen dan alle andere grote werken van Britten. Dus is het allerminst verbazingwekkend dat er een nieuwe opname is verschenen ter gelegenheid van Brittens honderdste verjaardag (december 1913). Wat wel opvalt is de verbazingwekkende vakkundigheid van de Italiaanse musici van de Santa Cecilia te Rome. Zij hebben onder leiding van hun Britse maestro Antonio Pappano gezorgd voor een stroom van mooie opnames. Bovendien is het bewonderenswaardig dat ze zich zó meester tonen in dit voor hen zeker vreemde idioom. Onder de bezielende leiding van Pappano laten zowel het orkest als het koor zien dat ze in topvorm verkeren. Het is natuurlijk een voordeel dat het koor uitsluitend in het Latijn hoeven te zingen: grote lappen Engelse tekst hadden misschien voor problemen gezorgd. Anderzijds legt het Italiaanse koor een zeker vuur aan de dag, dat je niet altijd hoort bij de meer beschaafde Engelse koren die je in dit werk meestal hoort. De solistenbezetting is ook ronduit uitstekend te noemen. Bij Britten is de vergelijking met de oorspronkelijke vertolkers vaak riskant, omdat de vocale partijen altijd speciaal waren geschreven voor zangers die Britten goed kende. Maar deze solisten doorstaan deze proef met glans. Het was een briljante ingeving om de beroemdste hedendaagse Russische sopraan, Anna Netrebko, voor de partij te vragen die oorspronkelijk gecreëerd was voor Galina Vishnevskaya, dé Russische sopraan van haar generatie. Netrebko heeft precies dezelfde combinatie van kernachtigheid en smeltende lyriek als haar illustere landgenote en is voor mij de eerste die Vishnevskaya’s prestatie heeft geëvenaard. Ian Bostridge is een van de meeste ervaren Brittenspecialisten en heeft hier het voordeel dat de rol geen grote omvang en volume eist, zodat hij niet hoeft te forceren en zich op tekstprojectie, zijn sterkste punt, kan concentreren. Hij produceert een prachtige legatolijn in het Agnus Dei, in zijn eenvoud een van de sterkste delen van dit werk. Thomas Hampson heeft in deze fase van zijn carrière niet de frisheid en amplitude van de jonge Dietrich Fischer-Dieskau toen die de première zong, maar zingt niettemin heel fraai en heeft gelukkig niet de gekunstelde Engelse uitspraak van Fischer-Dieskau. De opname is ook voorbeeldig gemaakt, de beste van de Santa Cecilia-opnames die ik tot nu toe gehoord heb: helder, transparant en ruim tegelijk. Van de talrijke opnames van dit werk, weinig scoren zo hoog op alle fronten als deze. Zeer aanbevolen.

Tekst: David Barick