Het onbekende

!cid_D8489EFlorence

Terwijl ik de Albert Heijn in loop, luister ik naar het verhaal van mijn beste vriendin over haar nieuwe studie. De eerste week is net voorbij en de hoeveelheid werk en colleges valt nu al tegen. Mijn begripvolle knikken wordt nu en dan afgewisseld met een meewarig mompelen, terwijl ik stiekem opgelucht ademhaal en bedenk hoe blij ik ben met het door mij verkozen tussenjaar.
Terwijl zij naar een blauwgekleurd mandje reikt, haal ik voor de zoveelste keer het boodschappenlijstje uit mijn broekzak. ‘Wat moeten we nou ook alweer hebben?’ Terwijl we het fruit passeren, zonder er zelfs maar een blik op te werpen, begin ik met het eerder samengestelde verlanglijstje op te noemen. ‘Chips, koekjes, Ben&Jerry’s, cola, witte wijn..’

Daar lopen we dan. Twee ‘jonge vrouwen’ van achttien jaar. Beiden nu zo’n drie maanden geleden het gymnasium afgerond, paraderen we in gelijksoortige kledingstijl tussen de schappen door, op zoek naar snoepgoed, terwijl we lachend luisteren naar elkaars verhalen. De klanken die onze monden vormen lijken verdacht veel op elkaar; een logisch gevolg van zes jaar gymnasium in het centrum van Amsterdam, waar het heersende dialect van Oud-Zuid vanaf de brugklas vrijwel onontkoombaar is.
Als ik naar mijn vriendin kijk, zie ik een ander persoon, met andere gedachten en andere dromen, en toch lijken we meer op elkaar dan we zelf doorhebben. Wij ‘horen bij elkaar’, zij en ik, begrijpen elkaar. Er zit niets nieuws meer aan en we weten precies wat we van elkaar kunnen verwachten. Veilig, maar doods.

Als ik kijk naar mijn vrienden, is diversiteit eigenlijk ver te zoeken. Juist ik, die zo verlangt naar verandering, dynamiek en het ontdekken en leren van nieuwe, ándere gedachtegangen, lijk net zo zeer gezwicht voor het eeuwenoude hokjessysteem. Ik ben een verrader van mijn eigen verlangens.
Hoe komt het toch dat ik, net als vele anderen, toch in deze eeuwenoude structuur ben beland? Deze structuur van mensen die overeenkomsten viert en verschillen uit de weg gaat. Is het toeval? Is het het afgesloten wereldje van het gymnasium? Luiheid?

Of is het angst? Ben ik te bang, te verlegen, om ‘het andere’ op te zoeken, hier in het dagelijks leven? En dan heb ik het niet over angst voor wat ‘de ander’ doet, maar wat ík misschien wel verkeerd doe. Ik ben bang zelf ‘de ander’ te worden.
De grondslag van mijn angst ligt in onwetendheid. Zou ik meer van de andere cultuur begrijpen, dan zou ik niet zo bang zijn een faux pas te maken. Maar is de onwetendheid, het onontdekte, niet precies wat er nou zo mooi aan is? Het leren van de zoektocht, het verkennen van nieuwe ideeën, gebruiken, talen, is dat niet wat ons als mensen doet groeien, reflecteren, en wat de bron is van alle inspiratie? De barrière van angst door onwetendheid is een hoge, maar god, wat ligt er een spannende, mooie wereld achter.
Over je verlegenheid heenstappen, het lef tonen om je nieuwsgierigheid achterna te gaan, dat is waar de uitdaging ligt. Waar míjn uitdaging ligt.

Als ik kijk naar de wereld om ons heen, zie ik dit patroon van angst voor het onontdekte overal. Van de verschillende kliekjes op school tot politieke partijen die de aanwezigheid van andere culturen het liefst willen ontkennen, en zelfs tegengaan.
Ik schrijf dit nu op 22 september, 11 dagen en 10 jaar na de aanslag op de Twin Towers. Ik was zelf toen pas 8 jaar oud, vrijwel niet in staat de terreur van de gebeurtenissen te bevatten. In die tien jaar tijd ben ik meer en meer gaan zien en voelen wat wel de achillespees van de menselijke psychologie en het kloppende hart van 9/11 lijkt: de angst voor het onbekende. Onbegrip.

Wat ons anders maakt, is wat we daarmee doen. Blijven we bang, of gaan we de strijd aan met onze eigen zwaktes? Stappen we over onze ‘angsten’ heen, of geven we eraan toe? Het lijkt een keus tussen nieuwsgierigheid en haat.

Wij zijn al sinds mensenheugenis overgeleverd aan deze innerlijke strijd, die lijkt voort te komen uit evolutionaire instincten die nu niet alleen verouderd zijn, maar ons zelfs in de weg zitten. Een voorbeeld hiervan is te vinden in Shakespeares stuk, The merchant of Venice, geschreven in 1598, berucht om zijn racistische, antisemitische ondertoon.
Shylock, een van de karakters, houdt in het derde bedrijf een vurige monoloog over de manier waarop Antonio, de hoofdpersoon, hem al jaren behandelt.

The Merchant of Venice – Shakespeare
Akte 3, Scene 1
Shylock:
He hath disgraced me, and hindered me half a million, laughed at my losses, mocked at my gains, scorned at my nation, thwarted my bargains, cooled my friends, heated mine enemies, and what’s the reason? I am a Jew. Hath not a Jew eyes? Hath not a Jew hands, organs, dimensions, senses, affections, passions? Fed with the same food, hurt with the same weapons, subject to the same diseases, healed by the same means, warmed and cooled by the same winter and summer, as a Christian is? If you prick us, do we not bleed? If you tickle us, do we not laugh? If you poison us, do we not die?


Misschien moeten we dus, om de ‘angsten’ te overwinnen en elkaars culturen te durven onderzoeken, beseffen dat we enkel van elkaar afwijken in de interessante, inspirerende dingen: gebruiken, taal en levensfilosofie, maar dat we in de werkelijk belangrijke dingen, dat wat ons mens maakt, precies hetzelfde zijn.


Tekst: Florence Bouvy
Beeld: Anne Tjin