Halfbloedjesland

Ooit maakte ik deel uit van een halfbloedjesgang. Het zal de zomer van 1977 zijn geweest. Een halfbloedje, zoals wij dat verstonden, was het gekleurde kind van een gekleurde niet-Nederlander - meestal de vader - en een Nederlandse moeder; de blondjes met dezelfde afkomst telden niet mee. De vaders van de verschillende bendeleden waren Spaans, Surinaams, Indisch en Tunesisch. Ik was het kind van de Tunesiër. Van de twee Spaanse bendeleden vraag ik me achteraf af of zij wel halfbloedjes waren. Hoe dan ook, ze waren tintjezacht en hadden lang, zwart haar, zoals wij allemaal. Maar de gang hing als los zand aan elkaar en werd nog voordat de zomervakantie ten einde liep, ontbonden. Het probleem is namelijk dat het ene halfbloedje niet meer dan een nominale verwantschap heeft met het andere. En toch, is mijn ervaring, zoeken halfbloedjes elkaar altijd weer op.

Halfbloedjes

Beeld: Jeroen C. Vink

Om te variëren op de overbekende beginregel van Tolstoj’s Anna Karenina: alle volbloeden lijken op elkaar, maar elke halfbloed is halfbloed op zijn eigen wijze. En dat is welbeschouwd nogal wiedes. Er bestaat een Nederland voor Nederlanders, een Tunesië voor Tunesiërs, maar nergens is er een halfbloedjesland voor halfbloedjes te vinden. Wij moeten het doen met de site halfbloedjes.nl, een domein op internet, waar werkelijk iedereen welkom is, ook de blonde dochter van een Duitse moeder en een Nederlandse vader. Leuk, maar de vraag rijst waar je de grens trekt: waarom niet ook provinciale halfbloedjes of bijvoorbeeld een Haags-Amsterdamse halfbloed? Het kan nuttig zijn een term die een zekere denigrerende lading heeft te neutraliseren, maar daarmee wordt misschien al te makkelijk voorbij gegaan aan de ervaring van die ‘halfbloedjes’ die niet voor volbloed Nederlands (dat wil zeggen blank) kunnen doorgaan. Daarom houd ik voor nu grofweg de definitie aan van de halfbloedjesgang uit 1977. In de vroege puberteit werd ik voor het eerst aangesproken als halfbloedje. Totdantoe was ik eraan gewend om dingen naar het hoofd te krijgen als neger, zwarte, Turk, (alsook ‘vieze Turk’), zoeloe, pinda, indiaan. En, destijds razend populair, rot naar je eiland. Ik was een ‘rot-op-naar-je-eilander’. Vandaar dat ik best in mijn sas was met ‘halfbloedje’, dat een vleiende ondertoon had, al kleefde er ook iets onaangenaams aan dat ik toen niet goed wist te benoemen. Wie wil er nou iets half zijn?
De Van Dale wijst erop dat ‘halfbloedje’ beledigend is en indomeisje betekent. Overigens worden halfbloed en volbloed eveneens gebruikt om al dan niet raszuivere dieren (met name paarden) aan te duiden. Wat ons met een lenig sprongetje naar het volgende punt voert. Want met halfbloedje werd meestal tevens bedoeld: een sexy chick. Dat lijkt leuker dan het is (al is het niet louter onleuk), want sexy betekent hier toch vooral seksueel, als in ‘seksueel beschikbaar’ en ‘seksueel voorlijk’. Besprongen worden kan best grappig zijn, maar het bracht mij in grote verwarring. Zo rijp was ik op mijn elfde en twaalfde ook weer niet. Vanuit historisch perspectief weten we dat seksualiseren een beproefde strategie is om de (niet-Westerse) Ander te degraderen en te reduceren tot een primitief wezen, puur gedreven door dierlijke driften. Als vervanging van halfbloedje is het weinig gangbare mengbloed een fractie beter, al blijven termen die verwijzen naar bloed en ras dubieus. Je kunt je afvragen of er überhaupt een etiket moet worden geplakt op kinderen uit gemengde relaties. Ik weet daarop het antwoord niet, eerlijk gezegd. Is mengbloed zijn nog wel een probleem? Ook dat weet ik niet, al ben ik zelden een mengbloed van mijn eigen generatie tegengekomen die er niet mee worstelt, die zijn identiteit niet als tamelijk vaag en schimmig ervaart en die zich niet in meerdere of mindere mate voelt buitengesloten. Zoals een half-Nederlandse, half-Molukse vriend het zei: ‘Je beweegt je tussen drie werelden: de Nederlandse, de niet-Nederlandse en het grijze tussengebied waarin de halfbloed zich terugtrekt en zich niet begrepen of gekend voelt’. Hierbij moet je voor ogen houden dat mijn generatie mengbloeden veelal nog het resultaat was van taboe-relaties, die als ze niet ronduit werden afgekeurd, toch vaak op weerstand en onbegrip stuitten. Dat taboe, dat de mengbloed meestal heeft verinnerlijkt, veroorzaakt verwarring zowel bij de mengbloed zelf als in zijn of haar omgeving. Inmiddels, in het tijdperk van de global village, is het behoorlijk passé om moeilijk te doen over gemengde relaties. Niettemin worden ze in sommige kringen (gekleurde zowel als blanke, laten we dat niet vergeten) nog altijd onverteerbaar gevonden.

Bij de site halfbloedjes.nl heb ik zelf dus weinig te zoeken, maar het internet heeft meer te bieden. Zo kan ik er bijvoorbeeld een Nederlandse naam fingeren en mij verheugen in het feit dat ik eens niks over mijn afkomst hoef uit te leggen. Die wens heeft niets te maken met zelfhaat. Wel met mijn eigen vervreemding, vermoeidheid en een behoefte aan ‘heelheid’. Tenslotte ben ik niet alleen Semira Dallali, dochter van een Tunesische vader, maar ook L.F. (die naam houd ik liever voor mijzelf), dochter van een Nederlandse moeder.

 

collum

collage: Tjebbe van Tijen