De verbeelding aan de macht

Boeken Munro

De verbeelding aan de macht


Too Much Happiness
Alice Munro (2009)
Short Story Collection
Douglas Gibson Books
ISBN 978-0-7710-6529-3
330 blz.



De fictie van het dagelijks bestaan vormt het belangrijkste thema in het werk van de Canadese Alice Munro (1933), die geldt als één van de allerbeste korte verhalenschrijvers van onze tijd. Munro trekt een enkele draad uit het weefsel van een leven en ontrafelt die, niet op een psycho-analytische manier, maar met het kalme, smakelijke genoegen van een verteller die mateloos geïnteresseerd is in het verhalend vermogen dat ieder mens aanwendt om zichzelf en de wereld begrijpelijk te maken. Haar bedachtzame nieuwsgierigheid levert rijk gedetailleerde, narratieve exposés op, die waaieren uit over een heel leven, soms over meerdere generaties, in het bestek van enkele tientallen pagina’s, zonder ooit het karakter te krijgen van een opsomming of een samenvatting.

Het citaat waarmee het titelverhaal Too Much Happiness (het laatste in de bundel) opent, komt van de hoofdpersoon. Zij is de historische figuur Sofia Kovalevsky, de eerste vrouwelijke wiskundige die aan een Europese universiteit als professor werd aangesteld. Vaakt meent men dat wiskunde over rekenen gaat en dat het een dorre wetenschap is, maar wiskunde vergt juist enorm veel fantasie, is de strekking van dat citaat. En niet alleen de wiskunde kan het niet stellen zonder fantasie, ook het leven zelf kan dat niet. Zoveel valt op te maken uit de reeks verhalen in deze bundel. Verbeeldingskracht kan een mens redden, op de been houden en doen floreren, het kan hem ook waanzinnig of misdadig maken en te gronde richten.

De bundel gaat dramatisch van start met Dimensions, het uiterst koelbloedig vertelde verhaal van Dorée, een tweeëntwintigjarig kamermeisje, dat een reisje maakt naar een TBS-kliniek om de vader van haar drie kinderen, Lloyd, te bezoeken. Wat hier precies aan is voorafgegaan, zal ik niet verklappen, maar de manier waarop deze man haar heeft verstrikt in het isolement van slachtofferschap is zowel uiterst geloofwaardig als huiveringwekkend. Lloyd wordt door Munro heel menselijk geschetst, hoe grof narcistisch en vol waandenkbeelden hij ook blijkt te zijn. Er spreekt uit de tekst geen oordeel, slechts een fijnzinnige registratie van de complexe dynamiek tussen dader en slachtoffer. Lloyd schrijft aan Dorée een lange, ‘spirituele’ brief die zowel getuigt van waarachtige inzichten als van zijn verknipte superioriteitsgevoelens. Het zijn dit soort ogenschijnlijke contradicties die Munro’s personages zo geloofwaardig maken. De tekst binnen een tekst komt in deze bundel overigens vaker voor en voegt telkens iets wezenlijks toe, zowel door toon en stijl als door inhoud. De dimensions waarvan Lloyd verslag doet, bevrijden Dorée van haar schuldgevoelens – de schuldgevoelens die haar aan hem geketend hielden. Hier worden we uiterst vernuftig door een wel heel grimmige geschiedenis geloodst. Geen moment echter krijgt de grimmigheid zelf vat op de lezer, die voortdurend aangenaam verrast wordt, dan weer door een scherpzinnige observatie of een rake formulering, dan weer door de zoveelste onverwachte wending die het verhaal neemt.

Het is deze psychologische en narratieve wendbaarheid van Munro die mij bij de eerste verhalen die ik van haar las (in een andere bundel) deed verzuchten: Munro is god. En dat zou tegelijkertijd het enige kritiekpuntje kunnen zijn. Munro is zó oppermachtig als verteller, zó schijnbaar feilloos, dat haar werk haast iets klinisch en ongenaakbaars krijgt. Maar helemaal perfect is Munro gelukkig toch niet. De negentiende eeuw van Sofia Kovalevsky in Too Much Happiness, doet wat gekunsteld aan. Munro’s psychologisch uiterst kiene oog past die eeuw misschien wel, maar haar stem ontbeert de tik op de plaat die authenticiteit verraadt.

Too much happiness’ zijn de laatste woorden die Kovalevsky murmelt in een koortsdelirium waaraan zij uiteindelijk bezwijkt. Wat hebben ze te betekenen? Was haar post in Zweden als eerste vrouwelijke professor aan een universiteit ‘te mooi om waar te zijn’? Of betrof het haar aanstaande huwelijk met de briljante, flegmatische Maksim? Het kan geen toeval zijn dat Munro als titel voor de hele bundel juist deze woorden koos. Maar de toestand waarin ze werden uitgesproken zijn misschien van groter belang dan de woorden zelf: losgeweekt van het ego en van het dagelijkse, materiële bestaan, balancerend op de grens tussen bewustzijn en onderbewustzijn, werkelijkheid en fantasie, heden en verleden. Is niet juist die onbegrensde totaaltoestand – die inderdaad bijna goddelijk is – de ultieme staat waarnaar een kunstenaar streeft? De verhalen in deze bundel zijn er het bewijs van dat Munro die geïnspireerde ‘flow’, dat genadige samenvallen met alles in de werkelijkheid, steeds weet te bereiken.

Tekst: Semira Dallali