Climb Every Mountain

ColumnClimb2


 

 



In mijn ouderlijk huis kenden we drie Heilige Boeken. De Grote Van Dale (mijn moeder was onderwijzeres), Het Beste Boek Voor de Weg van de ANWB en het Great American Songbook (mijn stiefvader was muziekleraar). De boodschap van het woordenboek was: de zin moet je zelf maken. De ANWB leerde je: waar een wil is, is een weg. En het ‘GAS’ verkondigde de American Dream.

In de vroege jaren negentig verhuisden mijn partner en ik voor twee jaar naar San Diego, Californië. Hij kreeg er een betrekking aan de universiteit. We kwamen uit Amsterdam, waar we lange tijd op het Prinseneiland hadden gewoond. Onze vaste route Mokum in, dikwijls vergezeld van onze goedgehumeurde viervoeter, de heer Bommel, liep over de Haarlemmerstraat, destijds een in verval geraakte achterafstraat met buurtwinkels, een electronicazaak, een reformwinkel en een oud filmtheater, the Movies. Koffie dronken we in de Bijenkorf.

San Diego was een andere wereld. We woonden er in een van de vele enclaves van homogene woongemeenschappen. De onze heette University Town Center. Naast ons woonden Beverly en haar volwassen zoon Jeffrey. Een paar uur per dag hield Jeff zich onledig met hand- en spandiensten voor het schoonmaakbedrijf van zijn moeder. Zijn twee voornaamste hobbies waren blowen en zijn, naar eigen zeggen, formidabele wapenarsenaal. Phil was een knorrige dertiger met geblondeerd haar, die samen met zijn oudere vriendin Sally en twee kleine kinderen het achterhuis van ons klavervormige woonblok huurde. Hij deed over zijn wapens geheimzinniger dan Jeff, maar niet zodanig dat je ernaar moest raden. Ik realiseerde me dat ik op mijn woorden moest passen.

San Diego was een geurige stad. Het rook er naar jasmijn, jacaranda, eucalyptus en skunk. Skunk, geen opgefokte Nederwiet maar een grote carnivore scharrelaar met zwart-witte vacht en een pluizige staart die hij soms optilt om een naar rotte kool riekende substantie rond te sproeien, die vriend en vijand de adem beneemt. Waardoor de skunks zich ook bedreigd voelden, het waren niet de wapens van mijn buurmannen. We hielden van Amerika: van de ruimte, de swingende taal, het vriendelijke ‘hi, how are you’ en ‘have a nice day’, het onaflatende optimisme, van de Geisel bibliotheek die als een versteende UFO bovenop een heuvel was geland, Trader Joe’s, the Digable Planets, Lyle Lovett.

Maar het was dus niet allemaal rozengeur en maneschijn. Naast de wapens hadden we moeite met de vanzelfsprekende homofobie. In krant of op tv fulmineerden zonder uitzondering religieuze lieden over homoseksualiteit. Bikkelharde veroordelingen: aberratie, pervers, tegennatuurlijk, een bedreiging voor kinderen, de moraal, het gezin. Moeite hadden we überhaupt met de alomaanwezigheid van religie, duizend en één varianten van het Christendom; de benauwende vroomheid, de dwingende moraal.

Op een dag ontving ik een envelop uit Frankrijk. Erin zat een frommelig velletje uit een ruitjesschrift, waarop geschreven stond dat de afzender mijn Tunesische zusje was. Ik wist van haar bestaan niets af. Terug in Nederland besloten we haar in Marseille te gaan opzoeken – het moet 1995 zijn geweest. Ik herinner mij hoe er op het vliegveld een kluitje mensen liep te ijsberen en ineens een meisje zich uit de groep losmaakte en op mij afstoof. Dat was zij, ik wist het meteen. Een vlot type met goedmoedige ogen, lang van stuk, in spijkerbroek. Mijn partner en ik werden vorstelijk onthaald. Mijn zusje en ik hielden elkaar vast, we huilden, lachten en staarden elkaar aan, we gaven elkaar cadeautjes, aten en dronken samen. Ik hield haar kinderen op mijn schoot.

Afgelopen kerst waren we weer in Marseille. Ditmaal ten afscheid: we vertrekken opnieuw naar de Verenigde Staten. Er is in de afgelopen vijftien jaar veel veranderd. De heer Bommel is overleden. Ik luister naar The Kills en The Weepies. Mijn zusje en ik communiceren voornamelijk via Facebook. Zij is gescheiden en opnieuw getrouwd, devoot geworden en in een hijab ondergedoken. Haar man vertoont zich niet meer als de Nederlandse kaffers op bezoek komen. Ik zie meer familieleden in hijab, foto’s van koranteksten op facebook. Eén foto in het bijzonder intrigeert me. Een voetbalveld vol geknielde vrouwen in witte hijab. Neergestreken in brave rijen. Ik moet denken aan zeemeeuwen voor de storm. En aan het verschil: geen speelse patronen en formaties, geen onbekommerde vermenging der seksen. Ik word moedeloos van zoveel religie, ook nu weer.

Op de markt in het volksbuurtje waar mijn zus woont is de sfeer drastisch veranderd. Er lopen nauwelijks nog vrouwen en kinderen rond. Het plein en de straten eromheen zijn in beslag genomen door mannen die allemaal hetzelfde muisgrijze pak aan hebben, dezelfde bruine djelleba’s, dezelfde zwarte jekkies met spijkerbroeken. Ik deed mijn best langs de bikkelharde, veroordelende blikken heen te kijken. Het viel niet mee.

Mijn zusje – zelfs in haar privédomein gebakerd in zwarte doeken, vanwege de aanwezigheid van mijn man – vertelde dat zij hem nu pas kon accepteren. Goeie grap. Ik zei: wat coulant, na vijftien jaar!

Hoe coulant is de rest van mijn Tunesische familie tegenwoordig? Geen idee. In de jaren negentig zagen ze er geen been in een zeventienjarig nichtje uit te stoten omdat die openlijk haar hart had verpand aan een blanke klasgenoot. Ter gelegenheid van mijn eerste bezoek werd er een verzoenend gebaar gemaakt. Was het misschien omdat ook ik met een blanke meneer was komen aanzetten? Ze zat wenend naast me.

De tweede ochtend van ons verblijf in Zuid-Frankrijk werd ik moorddadig depressief wakker en kon niet de moed opbrengen zelfs maar mijn sokken aan te trekken. Weer opzitten en pootjes geven, weer aan allerlei vage verwachtingen moeten voldoen, weer die loze, rituele gesprekjes. “Slaap gewoon door totdat je je beter voelt,” zei mijn partner begripvol. Ik viel meteen weer in slaap en werd anderhalf uur later wakker, wonderlijk getransformeerd. Ik had gedroomd: ik bevond mij in een Zwitsers berglandschap en zong – met een stem als een klok – wat de abdis zong toen Maria von Trapp overwoog haar hart te volgen en het klooster te verlaten. Climb Every Mountain, ford every stream, follow every rainbow, till you find your dream. In dat kerkerachtige hotelkamertje aan de dorpsweg, op bezoek bij de familie van mijn vader, met wie ik niks dan wat gelaatstrekken gemeen had, zelfs geen moedertaal, hervond ik mijn kompas. Niet in de bijbel en niet in de koran – maar in The Sound of Music. No kidding.

Houston, Texas, ondertussen, is misschien geen oase van verdraagzaamheid, maar toch lijken daar de krachten van religie aanzienlijk milder geworden. Zo is er pasgeleden een lesbische burgemeester verkozen. Wie had dat twintig jaar geleden durven dromen? Daar is de melting pot een feit: iedereen is in eerste instantie een trotse Amerikaan. Nu is het in Nederland waar de invloedsfeer van religie groeit in plaats van afneemt. Waar mensen in naam van religie de woorden van anderen willen beteugelen. Waar nieuwe categorieën ontstaan van ‘respectabele’ en minder respectabele vrouwen…

Land of the Free, here I come.

Tekst: Semira Dallali

Beeld 1: Flori Bets
Halfbloedjes

Beeld 2:Jeroen Vink