CÉSAIRES NÉGRITUDE


Aimé Fernand David Césaire werd in 1913 geboren op het Frans-Antilliaanse eiland Martinique. Hij was schrijver, vooral dichter, politicus en grondlegger van de Négritude. Na zijn middelbare school in Fort-de-France, de hoofdstad  van Martinique, ging hij met een beurs aan het prestigieuze Lycée Louis-le-Grand in Parijs studeren. Daar ontmoette hij Léon Damas uit Frans Guyana/Cayenne en Léopold Senghor, de latere president van Senégal. Ze deelden een passie voor poëzie en bleven altijd vrienden. Ze begonnen verschillende tijdschriften waaronder “l‘Étudiant Noir”, ‘de Zwarte Student’. Daarin werd in 1935 het begrip Négritude ontwikkeld.

Césaire

Yaoundé, Kameroen

Césaire vond dat er niets mis was met het woord neger, als het maar niet werd gebruikt om te discrimineren. Negers moesten juist trots zijn op hun afkomst en cultuur en er was geen enkele reden om te assimileren om daarmee de koloniale autoriteiten en het moederland tegemoet te komen in de hoop carriëre te maken. Taal en cultuur valt mensen slecht af te nemen: muziek, dans,  humor, rituelen, de beleving van de natuur en hogere machten worden bij het opgroeien onlosmakelijke delen van de identiteit, het fundament en een mogelijke bron van waardigheid. Voor de ‘drie vaders’ was Négritude een nieuwe stijl van schrijven, geëigend om het Afrikaanse erfgoed te uiten, en een manier voor zwarte mensen in de Franse koloniën om actief te zijn in hun emancipatieproces. Deze gedachten vonden in de dertiger jaren bij zwarte intellectuelen en anderen grote weerklank. De beweging stond niet op zichzelf, ze bouwde onder meer voort op Richard Wright die het racisme en het gebrek aan burgerrechten van de zwarte Amerikanen had aangeklaagd. Het was ook de tijd dat Sukarno, Anton de Kom en Eric Williams zich begonnen te manifesteren.

In 1939 ging Césaire na zijn studie terug naar Martinique, als leraar aan zijn oude middelbare school. Hij bleef altijd zeer actief in de politiek. Vanaf 1945 was hij ongeveer vijftig jaar vertegenwoordiger voor het departement Martinique in de franse Nationale Vergadering en burgermeester van Fort-de-France. Bij de invasie van Hongarije in 1956 haakte hij af bij de Communistische Partij.
Zijn essay “Discours sur le colonialisme” werd in 1950 voor het eerst gepubliceerd. Ik kocht het in 1982 in een Engelse vertaling bij de ‘Volksboekwinkel’ in Paramaribo. Ik gaf drie jaar les aan de middelbare technische school, het Natin., een zeer prettige en leerzame ervaring. Sommige Creoolse studenten mochten toen thuis geen Sranang Tongo spreken: “Ga je mond spoelen, doe niet zo negerachtig.”

‘Opmerkingen over het kolonialisme’ is een klacht, een bittere aanklacht. “Het kolonialisme is barbaars … het corrumpeert de gekoloniseerde zowel als de kolonisator … het veroorzaakte de grootste hoop lijken uit de geschiedenis.” Vijf jaar na het einde van de tweede wereldoorlog vindt Césaire dat Europeanen zich niet hoeven te verwonderen over de gruweldaden van Hitler. “Hij paste slechts kolonialistische procedures toe die daarvoor exclusief aan de Arabieren van Algerije, de Koelis van India en de Zwarten van Afrika voorbehouden waren geweest”. Césaire noemt bij de massamoord wel “het roven van de grondstoffen”, iets wat gezien de gang van zaken, in Kongo bijvoorbeeld, in de laatste 125 jaar niet veel verbeterd is. Maar uitbuiting is niet zijn belangrijkste begrip, het accent ligt op cultuur en psychologie. “Wat zij eerst en vooral verlangen is niet verbetering van hun economische of materiële situatie, maar de erkenning van hun waardigheid, hun hele menselijke waarde en het respect daarvoor.” Césaire ziet veel voordeel in het contact tussen culturen, “uitwisseling is zuurstof”, maar niet zoals dat gangbaar was, hij noemt de vernietiging van hoge Inheemse (Indiaanse) culturen in de Amerika’s. “Negritude is weerstand tegen assimilatie …  negeremancipatie is meer dan politieke emancipatie … we leefden in een sfeer van afwijzing en verwerping en dat heeft een afhankelijkheidscomplex veroorzaakt …  Antillianen schamen zich om neger te zijn, ze zoeken allerlei eufemismes voor het woord … Het bewustzijn moet worden gedekoloniseerd …  We moeten juist trots op onze kleur zijn en een taal ontwikkelen die recht doet aan onze afkomst.”

Vergeleken met latere schrijvers over onafhankelijkheid was Césaire gematigd. Nieuwe generaties zetten zich vaak nog sneller en feller tegen hun voorgangers af dan in de sfeer van de kunst. Césaire wilde een band met Frankrijk behouden en geen politieke onafhankelijkheid voor Martinique, wel meer autonomie en meer zwarten in bestuursfuncties. Hij bleef ook altijd in het Frans publiceren. Dat was bij de Surinamers Bruma in de politiek en bij Dobru in de poëzie wel anders. Franz Fanon zat bij Césaire in de klas. Hij werkte als psychiater met getraumatiseerde Algerijnse vrijheidstrijders. In 1961 verscheen zijn “De verworpenen der Aarde”. Hij probeerde daarin niet meer met de blanken te spreken en ze tot betere gedachten en praktijken over te halen maar sprak over ze. Dreigend. De angels die van ondergane vernederingen zijn blijven steken moesten zich volgens hem ontladen in geweld, dan zou pas genezing volgen. Ik zag daar dertig jaar geleden wat meer in dan tegenwoordig.

Toch blijft de Négritude onverminderd actueel. Het alledaags racisme is niet verdwenen, ook al is het minder bon ton en richt de angst en afkeer van een deel der gevestigden zich meer op andere zogenaamde vreemden. Voorbeelden van discriminatie tegen alles met een kleurtje zijn ook voor witten overal zichtbaar voor zover de stofkap niet te diep over ogen en oren getrokken is. Een paar jaar geleden deed ik als vrijwilliger met een stel nette dames uit Amsterdam aan alfabetisering in de grootste gevangenis van Suriname, Santa Boma. De dames hadden het steeds over “onze jongens”, niet alleen onderling maar ook tegen de leiding en het personeel van de gevangenis. Ik wees ze erop dat het volwassen mannen waren waar ze over spraken en dat een dergelijke benaming misschien wat gevoelig lag. De dames verklaarden me voor gek; ze bedoelden het zo goed, hun moederlijke gevoelens waren edel.

Vanwege de officiële Nederlandse afschaffing van de slavernij 150 jaar geleden is er weer veel ophef.  Bij de discussie over onvoldoende excuses miste ik wat kroonprins Alexander bij zijn bezoek aan Ghana in 2002 zei: Wij kijken met wroeging terug op dat donkere tijdperk en gedenken de slachtoffers van die onmenselijk handel”.*  Het zal niet voor ieder genoeg zijn en dat Bouterse verklaarde dat hij Nederland der slavernij vergeeft zal ook niet altijd helpen. Ik bezocht een lezing van Antoine de Kom, kleinzoon van Anton de Kom, als psychiater gespecialiseerd in trauma’s. Zelfde thema. De tot slaaf gemaakte heeft twee mogelijkheden, verzet of aanpassing. Verzet rendeert alleen als het tot overwinning leidt. Aanpassing was dus noodzaak om te overleven, het betekende dat de slaaf zich zoveel mogelijk ging verplaatsen in de gedachten en gevoelens van de meester. De Kom wees op de dilemma’s van vrouwen die met de meester sliepen. Bij vergaande aanpassing raakt de slaaf veel van zichzelf kwijt, bij nieuwe vernederingen wordt de oude pijn weer opgewekt. De Kom ziet mogelijkheden in de taal en de humor om trauma’s te verwerken. Het waarderen van het eigene kan als tegenkracht helend werken, een onbaatzuchtige houding helpt erg; “U kunt vanavond meteen beginnen”.

In 2006 weigerde Césaire Nicolas Sarkozy te ontmoeten. Die was toen presidentskandidaat en zijn partij had voor een wet gestemd die geschiedenisleraren verplichtte het Franse koloniale verleden te verheerlijken. De wet werd later teruggedraaid. Na Césaires overlijden in 2008 prees president Sarkozy hem: “Césaire belichaamde de strijd voor de Afrikaanse identiteit en de rijkdom van de Afrikaanse afkomst. Door zijn universele oproep voor menselijke waardigheid blijft hij een symbool voor alle onderdrukte volkeren”.


* Ik citeer uit lesmateriaal dat we jaren geleden voor lagere scholen in de Bijlmer maakten. Zie “Ghanese Kastelen” op de blog ‘Caribisch Uitzicht”