Columns

Herfst 2009

Ooit maakte ik deel uit van een halfbloedjesgang. Het zal de zomer van 1977 zijn geweest. Een halfbloedje, zoals wij dat verstonden, was het gekleurde kind van een gekleurde niet-Nederlander - meestal de vader - en een Nederlandse moeder; de blondjes met dezelfde afkomst telden niet mee. De vaders van de verschillende bendeleden waren Spaans, Surinaams, Indisch en Tunesisch. Ik was het kind van de Tunesiër.

Opmerkelijk nieuws uit de wondere wereld van de biologie: niet alleen bij mensen vindt er een strijd der seksen plaats, zelfs bij een primitief beestje als de fruitvlieg verschillen de geslachten wel eens van mening.

Beste Tess,

 

Leuk om een briefwisseling met je te beginnen. Toen ik werd benaderd door de redactie van Oer Digitaal om een tijdje met een jonge vrouw te gaan corresponderen, leek het me wel wat. Ook ik ben zeker benieuwd naar wat een vrouw van mijn generatie bezighoudt. Maar laat me me eerst voorstellen. Ik heet Adil en ben 27 jaar. Sinds 2004 heb ik mijn hbo - diploma lichamelijke opvoeding op zak. Deze studie, die ik na mijn havo heb gevolgd, heb ik alleen maar gedaan omdat ik graag sport. Om eerlijk te zijn, zie ik mezelf niet voor de klas staan: ik houd teveel van dollen met kinderen. Ik ben veel te speels om een meester te zijn.
Op dit moment geef ik sportlessen aan een gaysportvereniging. Ik hoop dat het je genoeg zegt over hoe ik als Marokkaanse jongen in het leven sta, kijk naar andere culturen en seksevoorkeuren en alles wat onder dat rijtje hoort.
Ik ben een Berber maar veel weet ik  niet van die cultuur. Wat ik weet is dat het een apart volk was toen de grenzen van Marokko werden bepaald. Berbers kun je, denk ik, vergelijken met Friezen. Ze hebben hun eigen taal en eigen gewoonten. Voor mij is Berber zijn niet meer dan het hebben van een andere taal. Van de historie van de Berbers weet ik verder niets.

Beste Adil,

 

In de Bijlmer, waar jij nu dus woont, ben ik drieëntwintig jaar geleden geboren. Mijn vader, die een paar jaar geleden overleed, was half Indisch. Zijn vader was Indisch en is in Indonesië opgegroeid net als mijn Nederlandse oma. Mijn opa en oma leerden elkaar daar kennen. Ze waren buren van elkaar. Tijdens de tweede wereldoorlog is mijn opa in het Jappenkamp terecht gekomen wat hem, naar mijn mening,voor altijd heeft veranderd.
Mijn vader is in Indonesië geboren als oudste kind uit een gezin van vijf. Zijn vader was hoogleraar en zijn moeder docente Engels en Frans. Toen mijn vader een kleuter was, kwam hij met zijn ouders en nog twee jongere kinderen naar Europa. Na een jaar of vier vertrokken ze naar de Antillen waar ze een paar jaar hebben gewoond en gewerkt. Daarna hebben ze zich definitief in Nederland gevestigd.
Tot zijn zestiende, tot mijn vader de hbs had afgerond ,woonde hij in de Randstad met zijn ouders. Daarna vertrok hij naar een universiteit het oosten van het land voor de studie scheikunde.
Mijn vader heeft een stenge opvoeding gehad. Hij, zijn zussen en broer zijn voorbeelden van de tweede generatie oorlogslachtoffers.

Column in beelden
Drie vrouwen op 3 uithangborden bij kapperszaken in Paramaribo (Suriname)

 

 

Ik zit met mijn vader op een terras. In mijn handen heb ik een krant met daarin een foto van de 24 jarige Franse studente Clotilde Reiss. Zij schreef een verslag van een demonstratie tegen het regime in Iran en werd hierna door de Iraanse regering van spionage beschuldigd. De foto van het proces laat een ineengedoken vrouw zien met een donker hoofddoekje, met achter zich enkel stuurs kijkende mannen. Haar bruine ogen stralen angst uit.

Syndicate content